Als
Nederland een robuuste rechtsstaat zou zijn, zoals nu door de verdedigers van
“over rechts” vaak beweerd wordt, dan zouden gewone burgers over de (al dan
niet gedogende) rol van Wilders in de regering niets te vrezen hebben. Dan zou
bijvoorbeeld de voorgenomen naamswijziging van het Ministerie van Justitie naar
een Ministerie van Veiligheid slechts een staaltje van wat enge public relations
zijn.
Maar in ons land is juist, wanneer de politieke en commerciële belangen van de regering
op het spel staan, de rechterlijke macht gaandeweg steeds meer het verlengde
van de regering geworden in plaats van de onpartijdige hoeder van onze
grondrechten te zijn.
In
de praktijk blijken juist bij politiek gevoelige rechtszaken rechters in Nederland
zeer beïnvloedbaar te zijn. Wie de rechtsgang die Srebrenica-nabestaanden
hebben aangespannen tegen de Staat der Nederlanden gevolgd heeft, kan weinig
gerust zijn op het functioneren van de rechterlijke macht. In die rechtszaak
werd de uitkomst gemanipuleerd door plotselinge vervanging van een rechter ten
nadele van de slachtoffers. Rechters werden ook opzichtig vervangen bij de
rechtszaken die projectontwikkelaar Chipshol had aangespannen tegen de
Luchthaven Schiphol, inmiddels uitgegroeid tot een vastgoed- en parkeer-bedrijf
in het Groene Hart, waarin verschillende overheden lucratieve aandeelhouder
zijn. Ingewijden die carrière willen maken begrijpen dat soort signalen prima.
Of zouden onze rechters niet mensen van vlees en bloed zijn?
Zo
glijden we vanzelf naar de toestanden die in Singapore heel gewoon zijn: daar
valt politiek getinte rechtspraak in belangrijke zaken heel goed samen met een
normale, efficiënte en ongetwijfeld onpartijdige rechtspraak in
civiel-rechtelijke zaken. De rechters slapen er vast prima, maar niemand
twijfelt daar ooit over de uitkomst van een zaak als de regering duidelijk
maakt iets belangrijk te vinden.
De
hoogste bestuursrechter van Nederland, de Raad van State, heeft in de
ingeslagen politisering van de rechterlijke cultuur een zeer bedenkelijke zaak
gespeeld. Nadat de Europese grondwet door een referendum was afgewezen,
concludeerde de Raad van State in maart 2008 dat het Verdrag van Lissabon geen
Europese grondwetswijziging is. Vrezend voor de groeiende invloed van Geert
Wilders werd een tweede referendum over het Verdrag van Lissabon niet nodig
geacht. Moet deze club van politieke renteniers ons nu tegen de uitwassen van
een autoritaire regering gaan beschermen?
Nederland
wordt, als het om basale mensenrechten gaat, regelmatig door het Europese Hof
voor de Rechten van de Mens en de Verenigde Naties op de vingers getikt. Het
contrast met onze oosterburen is verrassend groot. Duitsland heeft een
constitutioneel hof dat op verre afstand staat van de regering en dikwijls
duidelijk tegen haar in opereert. In de moderne Duitse rechtscultuur zit de
bescherming van de grondrechten dan ook diep verankerd.
Misstanden
en rechterlijke dwalingen van onze rechterlijke macht worden daarentegen heel
vaak als “incident” afgedaan, en het liefst met de mantel der liefde bedekt. Er
is in ons justitieel apparaat geen cultuur van gerechtigheid: honderden
medewerkers van Justitie wisten dat in de Schiedammerpark zaak willens en
wetens bewijsmateriaal achtergehouden was. De regering beloofde afgelopen maand
voor de zoveelste keer dat opnamen van advocaten en hun cliënten in de toekomst
automatisch vernietigd zullen worden; dit natuurlijk tot het volgende incident.
“Regels
zijn regels,” hoort men vaak, maar onze staat kan haar eigen regels veel te
makkelijk zonder gevolgen negeren. Mocht ze toch hiervoor aangesproken worden
dan volgt dikwijls reparatiewetgeving die de betrokken de hand boven het hoofd
houdt. Een symptoom hiervan is de rechterlijke vendetta tegen klokluiders die
in geen ander democratisch land zulke schrijnende vormen aanneemt.
De
relatief geruisloze invoering in 2005 van een verplichte legitimatie was
waarschijnlijk de cruciale bestuurlijke omslag. Vanaf dat moment zijn we in de
ogen van de staat geen burgers meer maar een nummer met een bijbehorend
risico-profiel. Die wet was niet zozeer het gevolg van onrust over
terreurdreigingen, maar een natuurlijk uitvloeisel van een
bureaucratisch-administratief proces dat onder vooruitstrevend Paars al was
ingezet met het helaas niet berucht genoege artikel 8a van de politiewet van
1993. Die politiewet gaf de politie het recht om onder relatief minimale
voorwaarden legitimatie op te eisen.
Ofschoon
Nederland tot de veiligste landen ter wereld behoort, is de staat dus al lang
niet meer een scheidsrechter op afstand; de overheid heeft vergaande
bevoegdheden om vooral controlerend te werk te gaan. Onder vermelding van
fraudebestrijding komen alle burgers vanzelf in de gekoppelde bestanden. Het
ideaal van de volledig maakbare en emanciperende samenleving is misschien
losgelaten, maar daar is een weinig subtiele registratiecultuur voor in de
plaats gekomen. Privacy past blijkbaar niet bij de tijdsgeest van data-mining.
Het
zijn dus niet alleen de verdedigers van “over rechts” die een misplaatst vertrouwen
in onze rechtsstaat hebben. De eloquente, veelal linkse critici die het gevaar
Wilders benoemen idealiseren de praktijk van onze, naar binnen gerichte
gerechtelijke en administratieve cultuur. De wet zou geloof in haar
overtuiginskracht moeten uitstralen. Nederlandse vonnissen lijken echter door
houterige computer-programma's geschreven te zijn.
Bovendien,
en dit is kwalijker, zijn de Wilders-bashers helemaal blind voor hoe de gewone
Nederlandse politieke praktijk de rechtstaat dagelijks ondergraaft. Een
rechtstaat is meer dan alleen het goed functioneren van onpartijdige rechters,
met duidelijke, transparente regels en het respecteren van burgerrechten. Om
het simpel te verwoorden: de wet moet in een rechtsstaat boven de poppetjes
staan. In Nederland is dit niet zo. Ik doel niet alleen op de enorme
bemoeizucht van de overheid; de wet is in ons land vooral een manier om goed
georganiseerde belangen te bevooroordelen. Dit is misschien onvermijdelijk in
een democratie, maar het is hoogste tijd om hier stil te staan bij hoe onze
democratie anti-democratische en weinig rechtschapen tegenkrachten heeft
opgeroepen
Nederland
is het enige Westerse land zonder lobbyisten en belangenvertegenwoordigers;
hier heeft men het over het "maatschappelijk middenveld". Maar
afgezien van de vraag over hoe goed of slecht dat middenveld an sich functioneert, het
heeft weinig oog voor spelers langs de lijn. In onze maatschappij betekent dat
vooral ongewild zelfstandigen en part-timers, laag-opgeleiden, en mensen in het
grijze circuit de dupe worden van een steeds onzekere wereld. Want, hoe meer de
staat voor de insiders zorgt, hoe meer de slecht georganiseerden als
onbeschermde stootkussens van de maatschappij optreden.
Om
misverstanden te voorkomen: het gaat me hier nu niet over hoe moreel het is dat
de modale werker in onze samenleving de lucratieve arbeidsvoorwaarden van de
bestuurslagen van de veelal hoog-opgeleiden in de collectieve sector, de
zelfstandige bestuursorganen (universiteiten, ziekenhuizen, woning-cooperaties,
nutsbedrijven enz.), en nu ook de financiële dienstverlening moeten dragen. Het
gaat me erom dat de hoogopgeleide elite het devies van meer markt-werking
vooral voor de anderen laat opgaan. Een gemiddelde VMBOer zal meer dan een
Masterstudent de tucht van de markt in haar leven voelen. De grote club van
politiek benoemden en politiek gedekten ontrekt zich van alle risico’s.
Nee,
waar het hier om draait is dat elke keer dat de wet als een grabbelton gebruikt
wordt om politieke insiders door middel van subsidies, regelgeving, en
verbodsbepalingen te belonen en beschermen, dit ten koste gaat van onze zo
veelgeprezen rechtsstaat. Elke burger ziet dagelijks dat de staat hele groepen
uitverkorenen voortrekt. Tegelijkertijd wordt het resultaat van al die politieke
transacties als een soort onvermijdelijk natuurverschijnsel
gepresenteerd. Dit liefs met een stempel van goedkeuring van het CPB, ofschoon
die na alle missers van de afgelopen jaren een toontje lager zou mogen zingen.
Die discrepantie tussen de uitkomsten van politieke beslissingen en de claims
van de ingehuurde voorlichters en de communicatiedeskundigen ontgaat de burger
niet. Waarom zou hij gemeenschapszin en solidariteit tonen als de bestuurders
en haar consulenten zo weinig het goede voorbeeld geven? Omdat de overheid
zichzelf handig kan beschermen en bron van gunsten is, maakt de Nederlander
zich boos op de groepen zonder macht en invloed. Dit is de bron van het ressentiment van de
Nederlander, dat zich uit in irritatie over de vermeende voorkeursbehandeling
van migranten. Paul Scheffer is alom geprezen voor zijn moed voor het
doorbreken van het taboe over de multiculturele samenleving. Maar hij zweeg
over de cultuur die het zoeken naar zondebokken mogelijk maakt. Zijn moed werd
natuurlijk met een professoraat beloond. Dit soort onrecht is natuurlijk van
alle tijden.
Terzijde,
het is geen toeval dat de calculerende en bierzuipende student donders goed
weet dat in ons land wie je kent op termijn belangrijker is dan de cijfers die
je haalt. Eenmaal bij de top van de bestuurspiramide belandt, kan het sociale
en ondernemende product van ons ‘systeem van studievrienden’ natuurlijk terecht
verlangen dat de universiteiten met minder geld de studenten efficiënt door de
diploma-molen halen.
Onze
wet wordt misschien nog in de meeste gevallen blind toegepast, maar ze wordt
over het algemeen door mensen met een prima oog voor de belangen van insiders
geschreven. Ik geef een voorbeeld waar progressief Nederland in het buitenland
vaak heel trots op is: ons drugsbeleid. Ik negeer voor het gemak de kleine
corruptie en rechts-normvervaging die door gedogen (van koffieshops, enz.) in
de hand gewerkt wordt. “Nette” mensen kunnen voor eigen gebruik heel makkelijk
zonder kans op vervolging aan soft drugs komen. Dit lijkt verlicht. Maar de
“criminelen” die voor al onze fatsoenlijke burgers hennep telen en vervoeren,
kunnen ook met zekere regelmaat naar de gevangenis gaan. De wet is -- om het
beleefd te formuleren -- niet bepaald kleurenblind. Zowel de critici van rechts
die multiculturele en internationale hobby’s van de wetgever vaak hekelen als
de linkse goegemeente zijn hier opvallend zwijgzaam over.
Die
andere, zeer belangrijke peiler van de rechtstaat, wetshandhaving, is in
Nederland nog altijd de verantwoordelijkheid van de ongekozen burgemeester. De
gewone burger kan hem of haar nergens op afrekenen. Die burgemeesters krijgen
inmiddels regelmatig te maken met grootschalige ongeregeldheden, ook buiten de
voetbal-stadions en strandfeesten. Den Bosch (2010), Groningen (1997), Utrecht
(2007), Culemborg (2010), Gouda (2008) zijn de afgelopen jaren allemaal getuige
geweest van straat-rellen. De vonken zijn allemaal lokaal, maar deze
middeleeuwse toestanden zijn nationaal. Relschoppers worden zoals Amsterdamse
krakers in het verleden vaak met nieuwe openbare voorzieningen afgekocht. De
roep om krachtige maatregelen en sterk leiderschap van de bange,
genegeerd-voelende burgers is dan onvermijdelijk. Agenten worden aangemoedigd
om steeds harder op te treden; maar repressie werkt misschien respect voor de
wethandhaver maar niet voor de wet in de hand.
Het
probleem van rechtshandhaving speelt ook in het openbare debat. Critici van
Wilders worden al regelmatig bedreigd. Politici die aarzelen om met hem in zee
te gaan zwijgen dan liever. Zullen die critici in de toekomst op bescherming
van de staat kunnen rekenen? Het lot van Fortuyn stemt niet hoopvol. Wie zich
het geval Willem Oltmans herinnert weet hoe het Nederlandse journalisten en
critici vergaat die tegen de regering ingaan. Oltmans kon nog op machtige, ‘ons
soort mensen’-vrienden rekenen. Dat toeval zal weinig critici gegund worden.
Zelfcensuur zal de norm worden. Wie dit overtrokken vindt moet niet vergeten
hoe gemakkelijk Barend en Van Dorp voor de Hells Angels op prime-time door de knieën
gingen. Hoeveel cartoonisten zullen zich na de arrestatie van Gregorius
Nekschot eerst bedenken?
Binnenkort
staat de machtigste politicus van het land opnieuw voor de rechter. Het
Openbaar Ministerie wilde Wilders in eerste instantie niet vervolgen. Zal een
gerechtshof daarover in de toekomst nog een keer anders durven beslissen? Zal
een rechter ooit tot een veroordeling durven komen? De belangen van de
medewerkers van het Openbaar Ministerie lijken meer gediend te worden door het
niet-tegenwerken van zijn beleidsprogramma dan het beschermen van de
rechtstaat.
Als
gevangenen in Nederlandse cellen omkomen, dan treedt de verantwoordelijke
minister, zoals het hoort af. Die zelfde afgetreden minister kan dan wel binnen
een half jaar weer minister (van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) zijn.
Inmiddels bepaald Wilders de grenzen van het debat in een symbolische politieke
cultuur waarin de politieke team
players weten dat het goed met hun toekomstige loopbaan geregeld
is.
Het
is een vergissing te denken dat het probleem is dat onze politieke elite geen
antwoord heeft op de op de onderbuik gerichte campagnes van Wilders. Wilders is
een product van politiek Den Haag. Ze heeft, zo heb ik met het voorgaande
willen betogen, zijn heerschappij door middel van de aantasting van de
rechtstaat al lang en breed voorbereid.
Hoe
het ook met de formatie afloopt, Wilders kan als een poppenspeler zich straks
verschuilen achter partijen die democratisch heten te zijn. Maar tijdens de
afgelopen verkiezingscampagne vertrouwden noch het CDA noch PvDA haar eigen
leden met democratische inspraak over de keuze van lijstaanvoerder. Misschien
hadden zij gezien hoe lastig het indertijd voor onze nieuwe, beoogde premier
was om de inmiddels in de anonimiteit verdwenen Rita Verdonk op democratische
wijze achter zich te houden. Ook de herverkiezing van Femke Halsema als
lijsttrekker ging tegen de regels van de eigen partij in. Het is allemaal goed
te verklaren. Maar onze politieke klasse, die haar voorbeeldfunctie negeert,
loopt niet bepaald warm voor democratische spelregels voor hen zelf. De burger
heeft weinig bemoedigende conclusies hieruit getrokken.
Eric Schliesser, PhD, BOF Professor of
Philosophy and Moral Sciences, Ghent University, nescio2@yahoo.com